kindertijd

Omhoog kindertijd jeugd adolescentie

in een dorp, Sint-Kruis-Winkel gegeten,

waarvan het actiegebied van iemand die zijn plechtige communie nog moet doen, zich afspeelt:

van de Moervoart waar je toendertijd op een zomernamiddag de snoekskes aan het wateroppervlak kon zien spelen, tot de "Rostijnsche Boschen" waar zich nog de restanten van een heuse Romeinse heirbaan bevonden,
van Terdonk, een van de vele "donken" aldaar (Boreale stuifzanden waarop o.m. ook dorpen en gehuchten als Desteldonk, Mendonk, Sprendonk, Walderdonk ... ontstaan zijn) tot aan "d' hê-e" ('de Heide'), de kant van Wachtebeke.

Zoals je uit het hierboven vermelde al kunt raden, is Sint-Kruis-Winkel, op de eerder smalle strook met alluviale klei in de Moervaartvallei na, bodemkundig een zeer schraal gebied gekenmerkt door zuivere zandgrond met van nature uit naaldboom- en heidevegetatie. Het is altijd een weinig welvarende gemeente geweest.

Maar met:

zijn burgemeester Van Hecke, zijn dorpspastoor, zijn (dorps-)dokter en zijn hoofdonderwijzer, tevens leraar van het zesde studiejaar en immer fier over zijn leerlingen die het in latere studies er altijd goed van afbrachten,
en, naast de voornoemde intelligentia, ook nog zijn champetter, zijn (dorps-)ontvanger, zijn postmeester(es), zijn ..., ja, heel veel meer zal het wel niet meer geweest zijn ..., al had elke gemeente toen ook nog wel zijn dorpskomiek en zijn dorpsgek,
zijn dorpskerk met zijn kerkhof, zijn pastorij met een reusachtige beuk ervoor, zijn vrijheidsboom voor 't oud gemeentehuis, zijn nieuw gemeentehuis en zijn vierweegse met de Lindes waar twee keer per jaar de kermis plaatsvond: de Sinksen- en de winterkermis (na een bezoek door grootvader Camile aan 32 cafés in het dorp verlegd naar de 2de zondag van oktober), met
zijn paardjesmolen en schietkraam, later een autoscooter,
zijn dorpsbal met accordeonist, violist en batterist, tot die -eind de vijftiger jaren- onherroepelijk plaats moesten ruimen voor de opkomende rock 'n roll met zijn brylcreame en electrische gitaren en waarbij de wals vervangen werd door de twist,
zijn vecht- en steekpartijen met die van 't ander dorp,
zijn gemeentelijke dorpsschool voor de mannekes (schuin over het grootouderlijk huis waar ik mijn kindertijd heb doorgebracht) en zijn nonnekesschool voor de kleuterkes en de meiskes (met zuster "Rechardien", wellicht een dislectische 'vissieuze' (sardientjes!) versie van "Gerardine"),
zijn klooster met zijn nonnekes en oudmannekesgesticht, zo rijk als wat in dit arme dorp, zodat zij op de middeleeuwse parochiekerk na, in de jaren 50 het grootste gebouwencomplex dat Sint-Kruis-Winkel ooit heeft gekend hebben neergepoot: 'het klooster',
zijn kasseibaan met aan de ene kant de electriciteitspalen en aan de andere de telefoonpalen, met op de draden daarvan de honderden boerenzwaluwen die onder de overkappingen van de schuren hun nesten bouwden en er hun jongen grootbrachten,
zijn 2 monument, een voor de gesneuvelden van WO '14-'18 en een voor die van '40-'45, waar op elk jaarlijks door de hoofdonderwijzer pathetisch hulde werd gebracht aan "de helden van het vaderland",
zijn processie in de meimaand naar de Kruiskapel en op "Alvoest" (Half-oogst, 15 augustus) naar de Onze-Lieve-Vrouw-Van-Troostkapel in de Warande, waar namiddagdurende 'donderpreken' tot de jaarlijkse gewoonte behoorden -het galmt daar wellicht nóg na!,
zijn klokkengelui:
om het uur het aantal slagen van het uur en om het half uur één slag,
maar ook op feestdagen (de kleine samen met 'de grote klok'),
en bij overlijdens: iedereen wist ongeveer wel wie er op sterven lag en wiens moment dus gekomen was, en betrof het een plots overlijden, dan maakte de geruchtenmolen in geen tijd het werk af.
Als misdienaar werden wij dan ook wel eens geacht
die klokken te luiden, een van de leuke bijkomstigheden van dat bijberoep,
zijn dorpstragiek, waar in het gehucht iedereen iedereen kent en waar, zoals gebruikelijk, alle nieuws "als een lopend vuurtje de ronde doet" en waar:
men op de meest 'natuurlijke manier':
trouwt, wel meer dan eens 'van moetens',
voor een nageslacht zorgt, m.n. kinderen:
maakt, al is daar zelfs niet altijd een wettige echtgenoot voor van dienst,
en koopt, al is daar al evenmin een materniteit voor nodig,
en dat zijn er in sommige huisgezinnen soms wel veel, heel/te veel!,
doodgaat op het einde van zijn leven, meestal na te zijn "berecht" (pastoor en misdienaar met de bel manifest tevoet de straat op: knielen!),
men ook aan zijn einde kwam door "aan den eletriek te blijven hangen" of door zijn paard doodgestampt werd,
men zich met een eind koord of een tweeloop van kant maakte of in de Moervaart dook en niet meer boven kwam,
enzoverder ..., enzovoort,
kortom, een dorp zoals er toen wel meer waren, geschreven met de vier hoofdletters: D, O, R en P.

Over deze 'Winkelse periode', een halve eeuw geleden werd, naar aanleiding van een opdracht van de leraar geschiedenis in het laatste jaar van de humaniora, door Jeroen het leven in dat dorp vergeleken met dat van nu. Dit en heel wat meer over die gemeente, zie je in een klein web dat naar aanleiding hiervan werd gerealiseerd. Klik daarvoor hier

Voornamelijk in het ouderlijk huis van de moeder, in "de zaak Van Loo"

De zaak Camile Van Loo was gevestigd in de Dorpsstraat 86 in Sint-Kruis-Winkel. Zij werd opgericht na de oorlog 1914-1918 door Camile Van Loo ("peetsjen voader"), na 2 jaar soldaat, ingeloot voor den oorlog, waardoor oudstrijder '14-'18 en waarna nog 1 jaar bezetting, vóór de oorlog gehuwd met Augusta Rombout ("meetsjen"). Na de oorlog worden 3 kinderen geboren: Martha (1919), Bertha (1921) en Julien (1923). De vader van Camile was wagenmaker, maar was vóór de oorlog reeds begonnen met pijlen te maken. Hij laat deze stiel over aan zoon Camile. Augusta is inmiddels begonnen met schoenen te verkopen, iets dat confortabeler gebeurt nadat in 1930 de nieuwe woonst aan de rooilijn is gebouwd met een echte schoenwinkel vooraan. Op dat moment beschikt men reeds over een telefoon, een van de 4 van het dorp. De zaken lopen niet slecht en uitbreiding komt eraan. In 1936 wordt de feestzaal met theater en de nieuwe schoenwinkel aangebouwd. De 'oude' schoenwinkel wordt café en de schuttersmaatschappij 'De Nemrodsvrienden' wordt opgericht. De tweede wereldoorlog komt roet in het eten gooien. O.m. (de enige) zoon Julien wordt opgeëist om in Duitsland te gaan werken. Als hij -na de nodige ontbering aan de draaibank voor de productie van obussen- terugkomt neemt hij de pijlenmakerij over. In 1953 wordt de eerste benzinepomp (Gulf) geplaatst. Het zullen er 3 worden, maar ondertussen is kleine Lucien al geboren en zal opgroeien met en tussen heel wat interessante dingen, zo o.m.:

de pijlenmakerij van de nonkel ("peetsjen Julien")

waarbij ook inbegrepen: de verkoop van pijlen en bogens, vogels voor op de wip ("penaskes"), schietlappen ("uit mijnen schietlap!" = "uit de weg, verdorie!"), pijlkassen en nog wel meer attributen voor op de schieting op de al of niet liggende wip. Waar:
de kleinste, gezeten op de tweede schaafbank (waar hij wel eens -met bijhorende buil- behoorlijk afgedonderd is),

het hele productieproces van een pijl kon meemaken:
het conisch verzagen van het hout op de lintzaag, nadat het buiten een tijdlang geschaard (gedroogd) was,
het ruw schulpen van de pijlstok op de draaibank,
het verzagen en kappen van de bouten en de 'mikken', gevolgd door het verlijmen ervan op de pijl,
de definitieve vormgeving van de pijl op de draaibank,
het aanzetten van de 'vlurringen' gesneden uit de slagpennen van de kalkoenen,
de verdere afwerking van de pijl,
alle grote machinerie in de pijlenmakerij, de lintzaag, de draaibanken en het schaafmachien werden aangedreven door één 3-fasenmotor (in twee stappen in gang te steken). De beweging werd overgebracht via een centrale as waarop zich houten wielen bevondenen waarover met een handige beweging de leren aandrijfriemen werden 'geworpen'.
Enkel voor het fijner werk zoals het inzagen van de mikken en het boren van de kloskes van de vogels (zie verder) werd een afzonderlijke electrische motor ingeschakeld, zo'n 3 kwart PK sterk (zoiets als een hedendaags boormachine),
van het besnaren van een boog kon bekijken,
vakkundig verlijmd en op maat gerealiseerd,
de productie van de vogels voor op de wip kon zien en aan den lijve ervaren:
het kleuren van de pluimen,
het knippen van de ijzerdraadjes,
vooral dan, het maken van de "penaskes", een uitgelezen en weinig inspirererende vakantiejob voor de jongste(n) van de firma!,
het draaien van de "kloskes", vijf aan elkaar en boren van het gat voor het penaske en het gat om de vogel op de wip te steken,
het bevestigen van de penaskes op de kloskes en het verzagen van die vijf,
en zo veel meer,

hij -omdat Sinterklaas hem die dingen nooit kadeau deed- de noodzakelijke attributen om soldoatsen, kobojken en indiejoantsen te spelen dan maar zelf timmerde (revolvers, pijlen en bogens, geweren, zelfs een jachtgeweer dat openklikte (om er de "kardoezen" in te kunnen steken), een mitrailleuze op een tweepikkel (een driepikkel was te moeilijk), etc. etc. Alles werd zelf gemaakt!,
Een mooie tijd, een tijd waarin de inherente verbeelding van het kind, ruimschoots de gelegenheid kreeg om zich -ook op een fysieke manier- creatief te ontwikkelen.

de feestzaal (met onderkelderd theater)

met zijn multifunctionele maatschappelijke functie:

de zondagnamiddagse overdekte schietingen van de schuttersmaatschappij de Nemrodsvrienden (zie verder),
de trouwfeesten, de begravingen, de jubileums, ...,
het jaarlijks (dorps-)toneel in de nieuwjaarsperiode met steevast een drama, gevolgd door een blijspel, beide geregiseerd (alweer) door de hoofdonderwijzer van het dorp,
allerlei andere activiteiten, geplogenheden in een dorp van 50 jaar geleden:
vergaderingen en koffietafels van de vrouwenbond (KAV), boerinnenbond, ...
ijken van de gewichten van de winkeliers van de gemeente,
...
"De feestzaal van mijn jeugd", uniek, één grote overdekte speelplaats waar, als 't buiten regende, je binnen nog altijd lustig kon rolschaatsen bijvoorbeeld, maar waar verder alles te beleven viel wat een kinderlijke verbeelding op ieder moment toeliet.

de schuttersmaatschappij "de Nemrodsvrienden"

met zijn eigen overdekte 'schietingen op de liggende wip', maar ook in open lucht op den hof naast de feestzaal, op 2 wippen dan b.v. te gelegenheid van een 50-jarig schuttersjubileum, en bij gelegenheid van een kermis werd het naburig café bij "Boerke Vroeve" erbij betrokken. Een ene keer werd wel eens een schieting op 3 wippen georganiseerd -wat de Hollanders daar ook mogen over denken(!),
zijn speciale schietingen: haantjesschietingen, ..., zelfs kalkoenschietingen(!), zie insert hiernaast,
zijn kampioenschietingen georganiseerd op zondagvoormiddagen: op 10 beurten zoveel mogelijk vogels afschieten van een volle wip,
zijn jaarlijkse 'koningsschieting' en alles wat erbij hoorde en als ge 3 keer na elkaar koning werd, waart ge keizer (voor 't leven).
En de volgende zaterdag en zondag was het dan wel weer de beurt aan een paar andere cafés om hun schieting te organiseren ... Iedere keer opnieuw werd een delegatie van de schuttersmaatschappij afgevaardigd naar de verschillende schietingen "in de buurt". En iedere keer opnieuw reed men met zijne velo, met op de rug "de pijlkas" en "den bogen" samengebonden met "den schietlap" erheen, naar Doornzele Dries, naar "'t Sandeken", tot in Sleidinge, naar Langerbrugge, Zaffelare, Desteldonk, Oostakker en Wondelgem, naar de Gaumond in Zelzate en De Bruine Poort en de Langelede in Wachtebeke, zomer en winter. De afgeschoten vogels werden uitbetaald, wel eens in paling, worsten, zelfs snoek(!). Bij de zgn. 'kalkoenschietingen' moesten speciale vogels op de wip afgeschoten worden.
's Zomers werd ook al eens een schieting op de staande wip gepleegd. Hierbij kon men zelfs zilveren couvers (zilveren koffielepeltjes!) als trofee behalen. Staande wippen waren er ook al op Den Dries in Doornzele, aan de statie en op den Overslag in Wachtebeke, in Moerbeke en overdekt in "den Toren" in Zelzate, ook al overdekt op Persijzer en in open lucht in de Kerstraat in Zaffelare waar jaarlijks de later felgecontesteerde 'rattenschieting' plaatsvond.
Er werd nogal wat afgedronken tussen de scheuten in (waardoor men wel meer eens "zijn scheute miste") en om de innerlijke mens nog meer te versterken kon je in het café van de Nemrodsvrienden "roggebrood met huflakke" met ne'n stevigen lek mosterd erop kopen. De koffie was gratis, maar wie er 's winters ne'n dreupel van onder de'n toog bijwilde werd wel geacht die te betalen. Tegen de avond toe was men soms wel héél behoorlijk zelf 'aangeschoten' en men vraagt zich af hoe iedereen telkens maar weer thuis geraakte.

het café

zowel een noodzakelijke plaats van actie voor al die 'schutterscultuur' als ontmoetingsplaats voor de mannelijke dorpelingen in tijden waarin de media beperkt waren tot ' 't Volksken' ("'t leugeneirken" van de Tsjeevn), ' 't Loaste Nieuws' (van de Blaâ-e), de 'Veuruit' (van de Ruuê) en ' 't gesproken dagblad' op de radio. Van de TV was nauwelijks of nog geen sprake.
Dat aangekleed was o.m. met de foto's van de schutterskoningen en waarin verder:

gekaart werd, "gebied" (van 'bieden'), vooral de zondagvoormiddag, na " 't achtsjen" (achturenmis, daar was toen de" vroegmis om half 7, de achturenmis en de hoofdmis om 10 uur, 's namiddags "vespers en lof"),
gedronken werd: "A-anoars" ('Audenaerdse') en "expor" ('Export'), en ook wel eens 'onder den toog' nen "tsjenuivre" werd geserveerd en waarvoor ge, als ge "overgedroagen" was, aan de accijnzen wel 1.000 (toen!) frank per gevonden fles -vol of leeg- mocht ophoesten,
bij meer feestelijke gelegenheden wel eens 78-toerenplaten werden gespeeld op de apparatuur van destijds,
den brouwer, vader van "Manche Zegers", op zijn ronde geregeld nen tourné general tracteerde voor de aanwezigen.
Ik kan zeggen dat ik nog tegen Manche Zegers gevoetbald en zelfs gescoord heb!,

de schoenwinkel van de moeder

met de glazen toog en de vitrine waarin de 'nieuwste' modellen prijkten, aan de muur de rekken met schoendozen met de verschillende modellen in verschillende maten,
waar de "voyageurs" hun al of niet gedemodeerde modellen aan de schoenwinkel van het dorp kwamen slijten,
met zijn cliëntele waarvoor nou net dié maat speciaal moest besteld worden waarna "het paksken" (door "de bus" uit Gent in een café aan 'de Vierweegse' afgezet) door de jonste van de firma moest opgehaald worden,
én de "plakkers" die de vorige rekening voor een deeltje kwamen "afkorten" maar alvast een nieuw paar schoenen of "sletsen" mee naar huis namen ...

de benzinepompen van het dorp: 'geweune', 'super' en 'mazoet'.

Waar ik, naast "peetsjen voader" gezeten, hem liet vertellen over den oorlog van '14-'18, over de tranchés achter den IJzer, en zoveel dingen niet goed begreep -waarom hij daarbij soms de tranen in de ogen kreeg bijvoorbeeld- en verbaasd was hoe hij, zittend op de dorpel van de benzinepompen, met een feilloze zwaai van zijn hand, keer op keer die vlieg, opvliegend vanop zijn knie in de lucht wist te grijpen.
Hoe hij vertelde dat hij in zijn jeugd 's zomers in de droogliggende houtkanten tussen de (kleine) perselen de merels en de lijsters opjoegen om die in hun 'kantnetjes' te vangen om ze vervolgens de zondag tevoet (15 km heen en 15 Km terug!) naar de vogelmarkt in Gent te brengen en ze daar als zangvogel aan de man te brengen.
Dat hij al zijn visgerei (visriet, dobbers, schep- en leefnetten, en alle andere visallaam, ook het gerei om die netten te breien) eigenhandig zelf maakte om daarmee 'in de vrije tijd' het dagelijks menu te spijzen of wat aan te rijken. Hij heeft mij nog netten leren breien, met 'sterrekensgaren' (vlasdraad), dat waren de sterkste, zei hij. Ze bestaan nog altijd!
Om maar te zeggen, dat er toen nog talrijke kleine perseeltjes waren, omzoomd met grachten en houtkanten, en hagen en andere zgn. 'kleine landschapselementen' waarin een grote diversiteit aan fauna en flora voorkwam, en dát er in de rivieren en beken (Moervaart, Zuidlede, ...) nog vis zat, gezond en wel.

de telefoon

een van de weinige in het dorp. Het telefoonnummer was 03 27, "zero dre-e zeevnentwintig" heette het, aangesloten op de centrale van Zelzate. Nu zou het heten: +32 (0) 9 450 327 en een mevrouw die u manueel op de juiste lijn inplugt spreekt wellicht helemaal tot de verbeelding.
En waarbij de inkomende boodschap vaak diende "geforward" te worden op een briefje naar de betrokkene in het dorp, opdracht voor de jongste telg van de firma Van Loo-Rombout.

Aan die kindertijd komt een einde

als Martha Van Loo de dag vóór zij 42 jaar wordt, trouwt met ene Pierre (Pier) Bauwens waardoor de zoon dito familienaam aanneemt. Die blijft nog een tijdje in de Dorpsstraat 86 wonen waardoor hij van daaruit gemakkelijker het zesde leerjaar in de Dorpsschool van Sint-Kruis-Winkel kan afmaken en ook al zijn engagement als misdienaar in de parochiekerk voor het laatse jaar kan opnemen.
Bij alle kerkelijke diensten was de voertaal toen Latijn en een misdienaar diende toch een minimale notie te hebben van wat in die missen (het woord "viering" is van latere datum), vespers en loven, gezegd en gezongen werd. Het spreekt vanzelf dat een goede leerling mét een primaire kennis van het Latijn (en door de dorpspastoor ongetwijfeld voorbestemd om ...) naar 'een goeie school in Gent' moest om er zijn studies secundair onderwijs aan te vatten. Het zou ongetwijfeld het Sint-Lievenscollege worden: er waren er al een aantal in de gemeente en in Wachtebeke die voor de school op de Zilverenberg gekozen hadden (w.o. de zoon van de hoofdonderwijzer), en met een lasbrander in Sidmar als 'vader' moest je toen bij de Jesuïeten in Sint-Barbara echt niet komen aankloppen! En hij heeft daar nog altijd geen spijt van gehad, en ook op hem was zijn hoofdonderwijzer fier!
Maar dan beginnen de eigenlijke jeugdjaren.

Omhoog kindertijd jeugd adolescentie